Een internationaal team van astronomen heeft, met het VIMOS-instrument van de Very Large Telescope van ESO, een kolossale structuur in het vroege heelal ontdekt. Het bestaan van deze proto-supercluster van sterrenstelsels, die de bijnaam Hyperion heeft gekregen, kwam aan het licht bij nieuwe metingen en een complex onderzoek van archiefgegevens. Dit is de grootste en meest massarijke structuur die tot nu toe op zo’n grote afstand en in zo’n ver verleden – slechts 2 miljard jaar na de oerknal – is ontdekt.
Deze rijke opname, gemaakt met ESO’s VLT Survey Telescope – de grootste surveytelescoop ter wereld op zichtbare golflengten, wordt bevolkt door een glinsterende menigte van sterrenstelsels. De kenmerken van de vele sterrenstelsels op de foto stellen astronomen in staat om subtiele galactische details op te sporen. De Very Large Telescope (VLT) van ESO kan gedetailleerde waarnemingen doen van zeer zwakke hemelobjecten. Maar als astronomen willen begrijpen hoe de enorme verscheidenheid aan sterrenstelsels tot stand komt, moeten ze een ander soort telescoop gebruiken – eentje met een veel groter beeldveld.
Astronomen die gebruik maken van het MUSE-instrument van ESO’s Very Large Telescope in Chili hebben de ‘diepste’ spectroscopische survey aller tijden uitgevoerd. Ze hebben zich gericht op het Hubble Ultra Deep Field en de afstanden en eigenschappen van 1600 zeer zwakke sterrenstelsels gemeten, waaronder 72 stelsels die nog nooit eerder zijn waargenomen – zelfs niet door de Hubble-ruimtetelescoop zelf. De grensverleggende gegevens hebben al geresulteerd in tien onderzoeksartikelen die in een speciaal nummer van het tijdschrift Astronomy & Astrophysics worden gepubliceerd. De schat aan nieuwe informatie geeft astronomen inzicht in de stervormingsprocessen in het jonge heelal, en stelt hen in staat om de bewegingen en andere eigenschappen van vroege sterrenstelsels te onderzoeken – met dank aan de unieke spectroscopische kwaliteiten van MUSE.
Op deze kolossale foto van de Fornax-cluster vechten ontelbare sterrenstelsels om de aandacht. Sommige zijn slechts nietige lichtpuntjes, terwijl andere sterk op de voorgrond treden. Een van deze aandachttrekkers is het lensvormige sterrenstelsel NGC 1316. Het turbulente verleden van dit veel onderzochte stelsel heeft sporen achtergelaten in de vorm van delicate lussen, bogen en ringen, die astronomen nu gedetailleerder dan ooit in beeld hebben gebracht met de VLT Survey Telescope. Deze verbluffend ‘diepe’ opname toont naast talrijke zwakke objecten ook de vage lichtgloed die afzonderlijke sterrenstelsels met elkaar verbindt.
Wetenschappers hebben met behulp van ALMA turbulente reservoirs van koud gas gedetecteerd rond verre, snelgroeiende sterrenstelsels. Ze deden dat door voor het eerst te kijken naar het molecuul CH+. Via CH+ moleculen kunnen onderzoekers volgen hoe het kan dat sterrenstelsels langer dan gedacht snel sterren vormen. Het is een nieuwe methode om een belangrijk tijdperk in de stervormingsgeschiedenis van het heelal beter te bestuderen. De resultaten van het onderzoek verschijnen in het vaktijdschrift Nature.
Waarnemingen van zeven ‘kwalsterrenstelsels’ met ESO’s Very Large Telescope hebben het bestaan aan het licht gebracht van een tot nog toe onbekende manier om superzware zwarte gaten van brandstof te voorzien. Het lijkt erop dat het mechanisme dat de tentakels van gas en nieuwe sterren doet ontstaan waaraan deze sterrenstelsels hun bijnaam danken, ook ervoor zorgt dat gas de centrale delen van de stelsels kan bereiken. Op die manier wordt het zwarte gat gevoed dat zich daar schuilhoudt, waardoor dit fel gaat stralen. De resultaten zijn vandaag in het tijdschrift Nature verschenen.
Bij waarnemingen met ESO’s Very Large Telescope is ontdekt dat in de krachtige materiestromen die door superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels worden uitgestoten sterren kunnen ontstaan. Het is voor de eerst dat waarnemingen hebben bevestigd dat in zo’n extreme omgeving stervorming kan optreden. De ontdekking heeft allerlei gevolgen voor ons begrip van de eigenschappen en de evolutie van sterrenstelsels. De resultaten worden in het tijdschrift Nature gepubliceerd.
Nieuwe waarnemingen wijzen erop dat tijdens de hoogtijdagen van het ontstaan van sterrenstelsels, 10 miljard jaar geleden, zware sterren-vormende stelsels werden gedomineerd door baryonische oftewel ‘normale’ materie. Dat is in schril contrast met de huidige sterrenstelsels, waarin de geheimzinnige donkere materie de overhand heeft. Dit verrassende resultaat, verkregen met ESO’s Very Large Telescope, suggereert dat donkere materie in het vroege heelal minder invloedrijk was dan nu. De resultaten van het onderzoek verschijnen in vier artikelen, waarvan er één vandaag in Nature is gepubliceerd.
Deze kleurrijke streep van sterren, gas en stof is in werkelijkheid een spiraalstelsel dat NGC 1055 heet. De middellijn van dit forse sterrenstelsel, hier vastgelegd met ESO's Very Large Telescope, is mogelijk tot wel vijftien procent groter dan die van onze Melkweg. In NGC 1055 lijken de malende armen die kenmerkend zijn voor spiraalstelsels te ontbreken, omdat we het stelsel van opzij zien. Wel vertoont het stelsel vreemde vervormingen die waarschijnlijk zijn veroorzaakt door een interactie met een groot naburig sterrenstelsel.
Een internationaal team van astronomen heeft gloeiende gaswolken ontdekt rond verre quasars. Deze nieuwe survey met het MUSE-instrument van ESO’s Very Large Telescope wijst erop dat halo’s rond quasars veel talrijker zijn dan verwacht. En de eigenschappen van de ontdekte halo’s zijn in sterke tegenspraak met de gevestigde theorieën over het ontstaan van sterrenstelsels in het vroege heelal.

Lancering vanop de Cape Canaveral lanceerbasis in Florida het Amerikaanse onbemande ruimtetuig Gemini 2. Dit was de tweede missie uit NASA's Gemini ruimteprogramma dat de opvolger was het Mercury programma dat Amerika's eerste bemande ruimteprogramma was. Na 18 minuten en 16 seconden was deze testvlucht afgelopen. Doel van de onbemande Gemini 2 testvlucht was het testen van het hitteschild van de nieuwe Gemini ruimtecapsule die plaats bood aan twee astronauten. Na de Gemini 2 testvlucht werd deze ruimtecapsule opnieuw opgelapt en in november 1966 een tweede keer gelanceerd in het kader van het militaire ruimteprogramma Manned Orbiting Laboratory (MOL). Foto: NASA
Deze website wordt aan onze bezoekers blijvend gratis aangeboden maar om de hoge kosten om de site online te houden te drukken moeten we wel het nodige budget kunnen verzamelen. Ook jij kunt uw bijdrage leveren door ons te ondersteunen met uw donatie zodat we u blijvend kunnen voorzien van het laatste nieuws en artikelen boordevol informatie.