Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog duiken met hardnekkige regelmaat verhalen op over vermeende “Nazi-UFO’s”: geheimzinnige schotelvormige vliegtuigen die door het Derde Rijk zouden zijn ontwikkeld en getest, mogelijk zelfs succesvol ingezet. Deze verhalen bewegen zich op het snijvlak van militaire geschiedenis, technologische fascinatie en moderne UFO-mythologie. Ze spreken tot de verbeelding omdat nazi-Duitsland aantoonbaar beschikte over een uitzonderlijk geavanceerd militair onderzoeksapparaat, maar tegelijk omdat de oorlog abrupt eindigde voordat veel projecten volledig konden worden gedocumenteerd. Dat vacuüm heeft ruimte gelaten voor speculatie, interpretatie en uiteindelijk mythevorming.
Het idee dat de nazi’s UFO-achtige toestellen ontwikkelden, ontstond niet tijdens de oorlog zelf, maar pas in de decennia erna. In Duitse archieven, technische rapporten en militaire correspondentie uit de jaren 1939–1945 ontbreekt elke ondubbelzinnige verwijzing naar schotelvormige vliegtuigen of antizwaartekrachttechnologie. Toch begonnen vanaf de jaren vijftig, gelijktijdig met de opkomst van de moderne UFO-cultuur in de Verenigde Staten, verhalen te circuleren over geheime Duitse “wonderwapens” die hun tijd ver vooruit zouden zijn geweest. In deze context werd nazi-technologie achteraf gekoppeld aan onverklaarde luchtverschijnselen die na de oorlog wereldwijd werden gemeld. Feitelijk staat vast dat nazi-Duitsland uitzonderlijk ver was op het gebied van lucht- en rakettechnologie. Het regime investeerde enorme middelen in militaire innovatie, met name nadat het duidelijk werd dat conventionele wapens onvoldoende waren om de oorlog te winnen. De ontwikkeling van de V-2-raket, het eerste door mensen gebouwde object dat de rand van de ruimte bereikte, vormt daarvan het bekendste voorbeeld. Ook de introductie van de Messerschmitt Me 262, het eerste operationele straaljachtvliegtuig, toonde aan dat Duitse ingenieurs fundamenteel nieuwe stappen zetten in aerodynamica en voortstuwing. Deze tastbare, goed gedocumenteerde innovaties vormden later de voedingsbodem voor de gedachte dat er mogelijk nóg radicalere projecten hebben bestaan die nooit officieel zijn vrijgegeven.
Binnen de Nazi-UFO-mythologie keren steeds dezelfde namen en termen terug. Begrippen als “Reichsflugscheiben”, “Haunebu” en “Vril” worden gepresenteerd als codenaam voor schotelvormige toestellen die snelheden van duizenden kilometers per uur zouden hebben gehaald en zelfs de ruimte zouden hebben kunnen bereiken. Volgens sommige versies zouden deze vaartuigen zijn getest op afgelegen locaties in Duitsland, Polen of Tsjechië, of zelfs na de oorlog zijn verplaatst naar geheime bases in Antarctica. Het probleem met deze verhalen is dat geen van deze termen voorkomt in authentieke nazi-documenten. Ze duiken pas decennia later op in boeken, tijdschriften en uiteindelijk op internet, vaak zonder controleerbare bronvermelding. Een centrale rol in deze verhalen wordt soms toegeschreven aan vermeende ingenieurs zoals Rudolf Schriever, Klaus Habermohl en Richard Miethe, die zouden hebben gewerkt aan roterende schijfvliegtuigen. In enkele interviews uit de jaren vijftig suggereerden personen met deze namen dat er geëxperimenteerd was met ongebruikelijke vliegtuigvormen. Historisch onderzoek wijst echter uit dat deze uitspraken fragmentarisch, slecht gedocumenteerd en onderling tegenstrijdig zijn. Bovendien ontbreekt ondersteunend bewijs in de vorm van blauwdrukken, testverslagen of productieorders. Waar echte Duitse projecten doorgaans uitvoerig werden vastgelegd, blijven deze vermeende schijfprojecten volledig in de schaduw.
Een bijzonder hardnekkig element binnen deze mythologie is het concept van “Vril-energie”, een vermeende krachtbron die antizwaartekracht mogelijk zou maken. Deze term heeft echter geen oorsprong in de Duitse wetenschap, maar komt uit een Britse sciencefictionroman uit 1871. Pas in de late twintigste eeuw werd het begrip retroactief gekoppeld aan nazi-onderzoek, vaak in combinatie met verhalen over occulte genootschappen binnen het Derde Rijk. Hoewel het waar is dat sommige nazi-kopstukken interesse hadden in mystiek en symboliek, bestaat er geen enkel bewijs dat dit leidde tot werkende, experimentele energiebronnen die de bekende natuurwetten overstegen. Ook het verhaal van “Die Glocke”, een geheimzinnig apparaat dat zwaartekracht en tijd zou kunnen manipuleren, behoort tot deze categorie. Het verhaal werd voor het eerst gepubliceerd in 2000 en baseert zich op indirecte, niet-verifieerbare getuigenissen. Historici hebben herhaaldelijk vastgesteld dat de vermeende bronnen niet controleerbaar zijn en dat er geen materiële sporen bestaan die het bestaan van een dergelijk apparaat ondersteunen. In academische kringen wordt “Die Glocke” daarom beschouwd als een modern verzinsel, niet als een verloren technologisch project.
De aantrekkingskracht van deze verhalen ligt niet zozeer in hun feitelijke onderbouwing, maar in hun narratieve kracht. Nazi-Duitsland wordt voorgesteld als een bijna mythische technologische macht, in staat tot ongekende innovaties die door de nederlaag nooit volledig aan het licht zijn gekomen. Dit sluit naadloos aan bij de bredere UFO-cultuur, waarin geheime kennis, doofpotten en verborgen technologieën centraal staan. De Koude Oorlog versterkte dit beeld: zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie namen Duitse wetenschappers en technologie over, wat de indruk wekte dat er kennis bestond die het publiek niet mocht zien. Wanneer men de bewijslast kritisch bekijkt, blijft er echter weinig over. Er zijn geen fysieke restanten van Nazi-UFO’s gevonden, geen authentieke foto’s, geen verifieerbare ooggetuigenverslagen uit de oorlog zelf en geen technische documenten die wijzen op functionerende schotelvormige vliegtuigen. Wat wél bestaat, zijn latere interpretaties, artistieke reconstructies en doorvertelde verhalen die met elke hervertelling spectaculairder worden. In de wetenschap geldt echter dat buitengewone claims buitengewoon bewijs vereisen, en dat bewijs ontbreekt hier volledig.
Dat betekent niet dat de mythe geen gevolgen heeft gehad. Integendeel, het idee van Nazi-UFO’s heeft een blijvende invloed gehad op populaire cultuur. Films, romans, stripboeken en videogames maken gretig gebruik van het concept, vaak losgezongen van historische realiteit. In sommige gevallen wordt de mythe zelfs ingezet voor ideologische doeleinden, waarbij het technologische genie van het Derde Rijk wordt overdreven of geromantiseerd. Historici waarschuwen dat dit gevaarlijk kan zijn, omdat het de aandacht afleidt van de werkelijke misdaden en menselijke catastrofe die het naziregime heeft veroorzaakt. Uiteindelijk laat het verhaal van de Nazi-UFO’s vooral zien hoe geschiedenis en verbeelding met elkaar kunnen vervlechten wanneer documentatie onvolledig is en technologische vooruitgang moeilijk te bevatten lijkt. Nazi-Duitsland beschikte over uitzonderlijke ingenieurs en ontwikkelde wapens die hun tijd ver vooruit waren, maar dat betekent niet dat het de natuurwetten wist te doorbreken of buitenaardse technologie beheerde. De vermeende UFO’s blijven, bij gebrek aan bewijs, onderdeel van het rijk der moderne mythes. Ze zeggen meer over onze fascinatie voor geheimen, macht en het onbekende dan over wat er werkelijk in de werkplaatsen en laboratoria van het Derde Rijk is gebeurd.
Wie de geschiedenis serieus neemt, moet daarom onderscheid blijven maken tussen aantoonbare innovatie en speculatieve reconstructie. De ware nalatenschap van de Duitse oorlogsindustrie ligt niet in vliegende schotels, maar in rakettechnologie, straalmotoren en wetenschappelijke kennis die na de oorlog werd voortgezet, met alle ethische vragen van dien. De Nazi-UFO’s blijven een intrigerend verhaal, maar uiteindelijk vooral een spiegel van onze collectieve verbeelding, niet van historische werkelijkheid.








